Abraham Bredius

 

Inleiding: Vanaf het moment dat ik in het bestuur zitting nam van het Haagse Museum Bredius ben ik steeds meer geïnteressseerd geraakt in leven en werk van  Dr. Abraham Bredius (1855-1946). Deze kunsthistoricus, kenner van de Hollandse zeventiende eeuwse schilderkunst, oud museum-directeur, archiefvorser en maecenas heeft een grote rol gespeeld in kunsthistorisch Nederland. Maar ook heeft hij in zijn lange leven een paar grote vergissingen begaan. Hierbij denken wij met name aan zijn rol in de aankoop van de Emmausgangers van Vermeer/Van Meegeren door Museum Boijmans in 1937. Over dit onderwerp schreef ik reeds in 1996 een artikel in Tableau. In 2006 verscheen van mij in Origine nr.5 en 6 een nieuw artikel over dit onderwerp, waarin ik door nieuw archiefonderzoekik de rol van Bredius verder heb kunnen inkleuren. De redactie van het populair wetenschappelijke tijdschrift Origine heeft de oorspronkelijke tekst en met name het notenapparaat wat ingekort. De integrale tekst heb ik daarom hieronder opgenomen.

De komende jaren hoop ik verder onderzoek naar deze markante persoonlijkheid te kunnen verrichten, zodat er uiteindelijk een biografie in boekvorm aan hem gewijd kan worden. Gaande dit onderzoek heb ik tussentijds al het nodige kunnen publiceren. Graag verwijs ik hiertoe naar onderstaand overzicht.

Overzicht van mijn publicaties over Abraham Bredius:

1. De Brediuscollectie op reis; in: Tableau, vol.9 no.2, 1986/1987, p. 48-49.

2. De Meestervervalser van Vermeer; in: Kunstwerk, april/mei 1996, p.32-33.

3. Eerherstel voor Abraham Bredius? Hoe Han van Meegeren en Mr. G.A. Boon de ‘Emmausgangers’ verkochten; een reconstructie aan de hand van ongepubliceerde brieven.; in: Tableau vol.18, no.5, april 1996, p.39-45.

4. Abraham Bredius en Rembrandt; in: Origine, nr. 3, 2006, p.40-45.

5. Bredius en zijn ‘Emmausgangers van Vermeer’. Een nieuwe reconstructie; in: Origine, nr.5, 2006, p.24-29.

6. Bredius en zijn ‘Emmaüsgangers van Vermeer’ (2). Een nieuwe reconstructie; in: Origine, nr.6, 2006, p.19-23.

7. Museum Bredius bijna in De Witte.; in: J. van der Helm e.a., Haagse Annonces. Den Haag 2010, p.57-69.

tekst

Tekst achterop een foto van de Emmausgangers, waarin Bredius aangeeft dat het om een werk van Johannes Vermeer gaat. Coll. Museum Bredius, Den Haag.

Bredius en zijn ‘Emmausgangers van Vermeer’. Een nieuwe reconstructie aan de hand van de correspondentie van Dr. A. Bredius met Mr. G.A. Boon, Dr. D. Hannema, de Vereniging Rembrandt en anderen. Door Jim van der Meer Mohr.

Inleiding. Bij de samenstelling van de tentoonstelling “De Meestervervalser van Vermeer” in Museum Bredius in Den Haag in 1996 kwam de correspondentie van Dr.Abraham Bredius en Mr. G.A. Boon met betrekking tot de expertise en de verkoop van de ‘Emmausganers’ van Van Meegeren aan Museum Boymans uit het archief van de erven Kronig te voorschijn. Deze stukken zijn door mij toen uitgebreid gepubliceerd in Tableau in “Eerherstel voor Abraham Bredius? Hoe Han van Meegeren en Mr. G.A. Boon de ‘Emmausgangers’ verkochten: een reconstructie aan de hand van ongepubliceerde brieven.”[1] Aanvullend onderzoek in de archieven van Vereniging Rembrandt, berustende in het Amsterdams Gemeentearchief, en dat van Museum Boijmans Van Beuningen in het Gemeentearchief Rotterdam geven een nieuw beeld van deze korte periode tussen de zomer van 1937 en december 1937, de periode waarin de Emmausgangers als Vermeer ‘opdook’ en door Dr. D. Hannema voor Museum Boymans werd verworven. Bij dit onderzoek zijn ook andere archieven geraadpleegd, waardoor nu 60 jaar na het overlijden op 13 april 1946 van Dr. A. Bredius voor het eerst een compleet beeld gegeven kan worden van diens rol in het, zoals hij het zelf noemde het “voor Nederland behouden” van dit stuk.[2] Ook blijkt nu dat talrijke auteurs, waaronder zelfs Marijke van den Brandhof in haar dissertatie over Van Meegeren[3], zich uitsluitend hebben laten leiden door secundaire bronnen als de memoires van Hannema[4]. Niemand van hen heeft, naar het schijnt, bovengenoemde archieven geraadpleegd en zich gebaseerd op de primaire bronnen, maar louter  de secondaire bronnen als uitgangspunt genomen.

De toedracht. In het kort de gebeurtenissen in 1937, zoals deze o.a. bij Van de Brandhof[5] zijn gememoreerd. Han van Meegeren (1889-1947) schildert zijn Emmausgangers (afb)in de trant van Johannes Vermeer en benadert zijn oude vriend Mr. G.A, Boon (1882-1962) om het stuk te verkopen. Boon was van 25 juli 1922 tot 8 juni 1937 lid van de Tweede Kamer voor de Liberale Staatspartij “De Vrijheidsbond” en wegens zijn vele verdiensten reeds in 1931 gedecoreerd met de Nederlandse Leeuw, kortom iemand van aanzien[6]. Van Meegeren vraagt hem een schilderij te verkopen, dat hij heeft aangetroffen in een boedel. Boon was net teruggetreden als Kamerlid en kon de commissie die hij met de verkoop zou verdienen wel gebruiken. In zijn verzoek aan Boon stelt Van Meegeren dat hij het zelf moeilijk kan verkopen, aangezien immers ‘kunstenaars’ die iets verkopen vraagtekens oproepen. Hij suggereert vervolgens dat het verstandig is eerst de oude expert Dr. Abraham Bredius (1855-1946) te vragen het stuk te beoordelen. Bredius gold ook in die dagen ondanks zijn hoge leeftijd nog als groot kenner van de zeventiende eeuwse schilderkunst. Regelmatig ontving hij nog foto’s die hem ter expertise werden voorgelegd, en ook vooraanstaande museummensen als Leo van Puyvelde, hoofdconservator van de Koninklijke Museums voor Schoone Kunsten van België schreven hem toen nog voor advies.[7]  Ook had hij een aantal grote ontdekkingen op zijn naam staan, zoals de Allegorie op het Geloof van Vermeer, nu in de Metropolitan Museum of Art in New York, die hij zelf een “hoogst onbehagelijke Vermeer” noemde.[8] Boon viert elk jaar in de zomer vakantie in St. Jean Cap Ferrat en schrijft van daaruit een brief aan Bredius, waarin hij vraagt of hij het mag tonen.[9] Vervolgens gaat hij kennelijk met het schilderij naar Bredius in Monaco. Deze zegt dat het stuk een meesterwerk van Vermeer is, brengt Dr. D. Hannema, directeur van Museum Boijmans op de hoogte van zijn vondst en publiceert het  stuk vervolgens in de Burlington Magazine. Uiteindelijk wordt door tussenkomst van de Amsterdamse kunsthandel Hoogendijk het schilderij in december van 1937 met steun van de Vereniging Rembrandt door Museum Boijmans verworven. Vol lof werd het stuk ontvangen. Diverse vooraanstaande kunsthistorici als Prof. Dr. W. Martin, directeur van het Mauritshuis en alle aanwezige bestuursleden van de Vereniging Rembrandt waren enthousiast. Lang heeft het publiek echter niet van het stuk kunnen genieten. Na de restauratie was het schilderij samen met een andere belangrijke aankoop die Hannema in 1937 deed, de Man met de rode muts van Rembrandt,  te zien op de jubileumtentoonstelling Meesterwerken uit vier eeuwen die van 25 juni tot 15 oktober 1938 ter gelegenheid  van het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina werd georganiseerd. Een jaar later werd echter op 26 augustus de mobilisatie afgekondigd. Alle oude meesters werden veilig opgeborgen.[10] Direct na de oorlog werd Han van Meegeren gearresteerd wegens collaboratie met de Duitsers. Hij zou betrokken zijn geweest bij de verkoop van een schilderij van Vermeer aan de Duitse luchtmaarschalk Hermann Göring. Van Meegeren bekende toen dat hij Görings’ Vermeer zelf had geschilderd, evenals de Emmausgangers.  Om dit te bewijzen schilderde hij  in de maanden augustus tot oktober 1945 Christus in de Tempel.  Of Bredius dit nog geweten heeft is niet bekend. Tot zover deze summiere samenvatting.

De bronnen.[11] In 1997 kwam uit het archief Bredius/Kronig, dat berust bij de erven van Joseph Kronig, een doorslag van een belangrijke, getypte brief tevoorschijn[12] waaruit bleek dat Boon reeds eind juni met de ‘Emmausgangers’ naar Monaco was getrokken om het stuk aan Bredius te laten zien. Het betreft hier een 1 juli 1937 gedateerde brief die Joseph Kronig “op verzoek van den Heer Dr. A. Bredius, Monaco” heeft geschreven aan de Haagse notaris Van Gendt, waarin hij “inlichtingen [wil] zien te verkrijgen over de betrouwbaarheid/integriteit van den Heer Mr. G.A. Boon, oud-lid van de Tweede Kamer der Staten generaal, wonende in Den Haag. Reden hiervoor is het wantrouwen in de herkomst en in het schilderij zelf, dat door den Heer Mr. G.A. Boon aan Dr. A. Bredius in Monaco, Villa Evelyne, ter beoordeling t.b.v. verkoop werd aangeboden. [ …] De Heer Dr. A. Bredius blijft, gezien de situatie, nu nog twijfelen, dat dit schilderij aan Vermeer kan worden toegeschreven.” Joseph Kronig (1887-1984)[13] was kunstcriticus en woonde reeds in 1916 bij Bredius in Den Haag. Voor Bredius’ vertrek naar Monaco in 1922 vestigde Kronig zich in 1920 in Florence. Hij was echter zeker ook vaak in Monaco, zoals onder andere uit deze brief blijkt en is tot zijn dood Bredius’ steun en toeverlaat geweest. Formeel afficheerde hij zich ook wel als Bredius’ secretaris. Bij Bredius overlijden in 1946 bleek hij diens enig erfgenaam. Tot de vondst van deze brief was de gangbare visie dat Boon Bredius 30 augustus een brief had geschreven waarin hij hem had gevraagd het stuk te mogen tonen.Hierop zou Bredius het stuk begin september hebben gezien en direct enthousiast geroepen hebben: “Dat is een Vermeer, een ontwijfelbare en wonderschone Vermeer”.[14] Deze brief van Boon blijkt zich te bevinden in het Rotterdamse Gemeentearchief. Boon heeft de brief geschreven vanuit zijn hotel ‘De Casa’ in St. Jean Cap Ferrat en Bredius heeft deze brief, blijkens een begeleidend schrijven, op 10 februari 1938 opgestuurd naar Dr. D. Hannema  “omdat het in Uw Archief thuishoort, de oorspong van de ontdekking waar t stuk gehangen heeft.” In deze brief geeft Boon een beschrijving van de herkomst van het stuk en vraagt hij Bredius of hij het stuk mag komen tonen. De integrale tekst van deze brief is als bijlage opgenomen. Direct nadat Bredius het stuk zou hebben gezien schrijft hij op 9 september[15] een brief aan Hannema: “Ik ben in een bijna overspannen toestand, in een “extase”. Ik heb hier voor mij een Vermeer” […] Ik heb Mr. Boon die mij de schilderij bracht en aan de Rivèra vertoeft, gewaarschuwd en gezegd dat het minstens f 300,000- waard is.” Ook deze brief bevindt zich in het Rotterdamse Gemeentearchief. Vrij snel wordt een foto gemaakt van het stuk. Achter op de foto geeft Bredius zijn expertise, gedateerd “sept. 1937”.[16] Vervolgens komt er een stroom van brieven van Bredius op gang, waarin hij het stuk aanprijst bij Hannema en later ook de Vereniging Rembrandt. Ook ontstaat er een driftige correspondentie tussen Boon en Bredius. De brieven van Boon bevinden zich eveneens in het archief Bredius/Kronig en zijn door mij in bovengenoemd artikel in Tableau behandeld. Daags na zijn eerste brief aan Hannema, schrijft Bredius op 13 september alweer een nieuwe brief aan hem, waarin hij in superlatieven over het stuk schrijft en aangeeft te hopen dat een maecenas gevonden kan worden  die dit “kunstjuweel voor Holland zou redden”. Boon had Bredius, zo schrijft hij Hannema, toevertrouwd wellicht iemand te kennen “die even rijk is als Deterding, en als hij wist dat hij den Leeuw er voor zou krijgen, wellicht over te halen is.” Dit laat Bredius zich geen twee keer zeggen en direct klimt hij weer in de pen. Nu schrijft hij P. Visser aan, hoofd afdeling Kunsten op het Departement van Kunsten & Wetenschappen.[17] Hij begint met te vertellen dat hem een stuk is getoond dat  Boon namens de erven moet verkopen. “Toen ik uit Châtel Gyon kwam, stond er een reuzenkist in den gang. Uitgepakt. Een nooit ‘geziene’ verrukkelijke Vermeer, de Delftsche! ongerept op het oude doek en chassis, in geheel oorsponkelijken toestand!! Nooit schoongepoetst.Zuiver bewaard, intact. Alleen moet het verdoekt worden en ik ben al zoo bang dat het slappe bolderende doek door al dat reizen geleden heeft.[…]Het eenvoudigste is voor Boon nr. Lord Duveen te gaan, die het dadelijk in Amerika plaatst voor een grote som. Maar dit stuk moet in Holl. blijven. Ik sprak over v. Beuningen, Deterding. Boon zeide: ik ken iemand die net zoo rijk is als Deterding (!!) en ijdel. Hij zou  geloof ik ’t  doen als hij een Leeuw kreeg (is reeds off. Oranje N.) Nu zeide ik: zoo’n gift is ook wel een Leeuw waard, want ’t is voor het Vaderland en iederéén. Vraag is: zou daar kans op zijn om dien ijdelen rijkaard – en ons hele land gelukkig te maken? Hij zal er allicht 4 ton of ½ miljoen voor moeten geven, dat geeft Duveen zeker! Ik ben heelemaal van streek door dit evenement. Met de hartelijkste groeten. Uw Bredius.” De vermaarde kunsthandel Duveen kreeg het stuk overigens in oktober aangeboden in haar filiaal te Parijs. De experts daar geloofden echter niet in het schilderij en stuurden een telegram naar het hoofdkantoor in New York zeggende dat het een ‘rotten fake’ is.[18] Bredius is, zo blijkt uit de correspondentie, zeer ingenomen met zijn ontdekking en publiceert het stuk in het november nummer van de gezaghebbende Burlington Magazine.[19] In 1932 had Bredius een ‘Unpublished Vermeer’ gepubliceerd in de Burlington Magazine. Dit stuk stelt een interieur voor met een dame en heer bij een spinet en is nu in de collectie van het Instituut Collectie Nederland.(afb) Reeds snel na de toeschrijving aan Bredius van deze zogenaamde ‘Manheimer’ Vermeer werd aan de juistheid ervan getwijfeld.[20] Bredius reputatie was dus al aan het wankelen, wat ook blijkt uit de verdere correspondentie tussen Bredius en Hannema. Dat er ook nu weer stemmen tegen Bredius waren blijkt uit diens brief aan Hannema op 12 november 1937. Volgens hem zou de directeur van het Rijksmuseum Dr. F. Schmidt-Degener “een campagne tegen [ het stuk] en vooral tegen mij” voeren. In dezelfde brief geeft Bredius Schmidt Degener de bijnaam “t knechtje van Duveen”. In een latere brief van 2 december aan de Vereniging Rembrandt refereert Bredius wederom aan de houding van Schmidt-Degener. Deze zou zijn mening hebben geuit aan de hand van een foto die hem voor advies was getoond door een medewerker van het Parijse filiaal van Duveen.[21]  In zijn artikel over het directeurschap van Schmidt-Degener in het Rijksmuseum in het Kunsthistorisch Jaarboek van 1984 doet Ger Luijten hier kort verslag van. Luijten zegt het zo: “Schmidt-Degener had aanvankelijk lauw gereageerd bij het zien van een foto maar het schilderij zelf, dat hem bij de kunsthandelaar Hoogendijk werd getoond, maakte hem zeer enthousiast.”[22] Schmidt-Degener zag het stuk bij Hoogendijk als lid van het bestuur van de Vereniging Rembrandt op 13 december 1937. Het lijkt er echter op dat Bredius zich iets te druk heeft gemaakt over de mening die Schmidt-Degener zou hebben gegeven. In en brief van 22 november verzekert Hannema dat Schmidt-Degener het schilderij nooit heeft gezien. “U moet zich niets van dergelijke geruchten aan trekken”, schrijft Hannema aan Bredius.  Ondertussen is het stuk nog steeds niet verkocht en kennelijk gaat het Bredius niet snel genoeg. Op 2 december schrijft hij een bief van 6 kantjes aan de Vereniging Rembrandt . In deze brief prijst hij het stuk aan. Ook geeft hij de mening van Duveen, waarbij hij niet nalaat de rol van Schmidt-Degener in deze te vermelden. Hij stelt het zo: “[…] en toen is Boon n Duveen gegaan. O neen, dat is geen Vermeer. Maar mag ik de foto een paar dagen. Duveen zend zijn zeer verwaand stomme adjudant nl A. om ’t knechtje van Duveen (zoo heet S.D. bij de kunsthandel) te laten zien. SD zegt (even als D ) zonder t stuk te zien !!! O neen, nooit Vermeer, Bredius is oud, aftands, ziet niet meer enz. en nu is t stuk ge”declasseerd” (Arme SD. wat een blunder!!!). Nu zijn Hannema, Schneider en Martin allen in Parijs geweest. Vraagt u hen om hun beoordeling. Ik sluit Martins brief bij ( dat is nu wel voor mij absoluut geen autoriteit maar hier heeft hij volkomen gelijk en is goed uitgedrukt.) Nu zou t erg zijn als (door SD stommiteit) een der grootste kunstwerken van onze school ons ontging”. Prof. Dr. W. Martin karakteriseerde het stuk als volgt: “Heden zag ik dus IMEER [in monogram] hier [ in Parijs, JMM] in de safe. Wat een prachtig doek. Every inch a Vermeer”. Opvallend is dat Martin hier dus Bredius’ eigen woorden uit diens artikel in de Burlington Magazine heeft gebruikt! De brieven blijven doorgaan. Bredius schrijft de Vereniging Rembrandt  nogmaals evenals Hannema en Martin; kortom hij blijft zich inspannen om het stuk in een Nederlandse collectie te krijgen.  Uiteindelijk lukt het dan de benodigde fl. 520.000 bijeen te brengen. De Vereniging Rembrandt geeft fl. 100.000 en Hannema heeft een grote financier gevonden in de persoon van Willem van der Vorm, een Rotterdamse ‘havenbaron’. Anders dan in Hannema’s  memoires beschreven, heeft Van der Vorm aanvankelijk niet fl. 400.000 geschonken, maar een lening van de Rotterdamsche Bankvereniging gegarandeerd. Ook heeft de Vereniging Rembrandt geen fl. 100.000 gegeven maar fl. 50.000 en bij dit bedrag twee giften aan de Vereniging ten behoeve van de aankoop van de heren De Kok en Van der Vorm gevoegd. Dit blijkt uit stukken in de archieven van de Vereniging Rembrandt en Museum Boymans in resp. het Amsterdams en Rotterdams Gemeentearchief. In het Amsterdamse archief bevindt zich eveneens een stuk dat heet “ONDERHANDELINGEN OVER DEN AANKOOP VAN  ‘DE EMMAUSGANGERS’ DOOR VERMEER”. Ook heeft Bredius zelf fl. 12.000 geschonken, en niet fl. 20.000 zoals tot nu toe werd gesteld. Hij schrijft dit aan Van Hasselt, de vice-voorzitter van de Vereniging Rembrandt op 26 december 1937: “Behoef ik het U te zeggen hoe gelukkig Uw telegram mij maakte en nu Uw brief. ik zal gaarne mijn belofte gestand doen: mag ik in januari f 6000.- doen storten en f 6000.- in februari ? Het doet mij ook genoegen dat SD het stuk nu ook waardeert.” Voor de resterende fl. 420.000 is op 24 december 1937 een driehoekscontract afgesloten tussen D. Hannema, namens Museum Boymans, de Rotterdamsche Bankvereeniging en Vereniging Rembrandt. Uit dit contract blijkt dat Ver. Rembrandt 100.000 betaalt en de “Bank, handelend voor rekening van een client die ongenoemd wenscht te blijven, om verkoop van het schilderij naar het buitenland te voorkomen, bereid is daarvan terstond door koop en tegen contante betaling de eigendom te verwerven, het vervolgens aan het museum Boijmans in bruikleen te geven en dit museum het recht te verleenen, het schilderij van haar te koopen een en ander op de hierna omschreven voorwaarden; “ Het museum krijgt in het contract 8 jaar de tijd om het te kopen.  Als het museum niet afbetaalt in de jaarlijkse termijnen kan de Bank het terstond terugvorderen. De Ver. Rembrandt heeft dan eerste recht van koop teneinde het stuk voor Nederland te behouden. De schenking van Bredius, die in 1938 in twee termijnen is gedaan, zal dan gebruikt worden voor de eerste aflossing. Van een financieringsplan wordt in het jaarverslag van de Vereniging Rembrandt. over 1937 wel melding gedaan; de details zijn nooit gepubliceerd. Hannema rept er in zijn autobiografie niet over. De ongenoemde cliënt is de Rotterdamse ‘havenbaron’, tevens bekende verzamelaar Willem van der Vorm geweest. In 1939 heeft hij kennelijk besloten het gehele bedrag te voldoen en niet langer aflossingen te verlangen, die overigens in 1938 ook niet waren gedaan.  Nu de koop rond is en het stuk in de collectie van Museum Boymans is terechtgekomen, is de eerste zorg de restauratie van het stuk. Ook hier heeft Bredius zich intensief in brieven mee bemoeid. In de brief aan de Vereniging Rembrandt van 2 december schreef  hij al dat het vooral niet gerestaureerd moest worden door de vaste restaurator van Museum Boymans, Luitweiler.  Al direct in het begin van 1938 schrijft Bredius Hannema over de restauratie. “Weet U waar ik doodsbang voor ben? Dat de moordenaar van schilderijen, Luitweiler nu ineens de Vmeer moet “schoonmaken” Vanaf dat moment tot het dan uiteindelijk getoond wordt in het Museum zal Bredius er Hannema over schrijven. Uiteindelijk stelt Boon hem op 25 augustus 1938 gerust.Of Bredius het stuk na de restauratie heeft gezien blijft onduidelijk. Hannema schrijft op 22 augustus 1938 dat het hem spijt dat Bredius bij een recent bezoek niet de gelegenheid heeft gehad het stuk te zien. Wel zou Bredius in diverse brieven aan bekenden niet nalaten het stuk nogmaals te promoten.

Conclusies en vraagtekens. Uit alle stukken blijkt dat Bredius een enorme inspanning heeft verricht om het stuk naar Nederland te krijgen. Samen met Boon bewerkt hij Hannema, maar tegelijkertijd laat hij niet na ook anderen wegen te bewandelen. Zo regelde hij alvast een hoge onderscheiding voor een potentiële maecenas en moedigde hij de Vereniging Rembrandt, waarvan hij erelid was, aan mee te werken om het stuk te kopen. IJdel als hij is, publiceert hij het stuk direct in de Burlington Magazine, zoals hij dat in 1932 ook met de ‘Manheimer Vermeer’ deed en twee jaar later met een De Hoogh zou doen.[23] De vraag is natuurlijk of hij hiermee ook wilde bewijzen dat hij nog steeds de grote kenner was en het aan het rechte eind had. In zijn brieven geeft hij meerdere malen aan zich wel eens vergist te hebben.12 november 1937 schreef hij bijvoorbeeld aan Hannema: “Gelukkig hebt u den heerlijken, echten Vermeer gezien!! Er wordt n.t. schijnt door Schmidt Degener een campagne tegen en vooral tegen mij! medegemaakt. Het heet dat ik “aftands” ben en niet meer zien kan. Hij die dezen, echt gem!! onaangeroerde Vermeer, die bijna 50 j. in een donkere kamer onherkend hing, niet kàn zien, niet kan bewonderen! moet zijn –snuit” maar houden – Vooral als men voor F 80.000.- [onduidelijk] van copie nr Jerome Bosch t Rijk aangesmeerd heeft. Ik hoor dat SD. bijgenaamd wordt “t knechtje van Duveen”. Vandaar de overeenkomst van beider “oordeel”. Die Vermeer bij Manheimer ex Tersteeg is ook echt als goud en wordt ( op S.D? aanraden) in den brandkast weggesloten. Vraagt U uit mijn naam eens aan M of u t eens zien moogt. Men krijgt de brui van al die ‘kunstvrienden”  Natuurlijk, ik zou geen mensch zijn als ik mij in 82 jaren niet een paar keer vergist had. En 1 of 2 keer heel lelijk. Maar wat staat er tegenover van ontdekkingen! Ik ontdekte de Vermeer van Coats, moest er toen om ’t kunsth plezier te doen, een artikel in N.Rott C overschrijven, dadelijk verkocht aan Coats.  Ik ontdekte bij een déjeuner hoog boven schoorsteenmantel hangend, ’t kleine Vermeertje van Dezgrez te Brussel. Ik ontdekte mijn Vermeer voor 800 MK! En verkocht hem om groote verliezen te dekken voor 3 million frs.- Hoeveel Vermeers heeft S.D. ontdekt???”  Deze ‘Emmausgangers’ waren echter zijn grootste vondst ooit, waar hij zeer trots op was. De brief van 1 juli 1937 blijft echter in het licht van de verdere correspondentie vraagtekens oproepen. Boon zou voor 1 juli langs zijn geweest om de Emmausgangers te tonen en volgens Kronig zou Bredius zijn twijfels hebben over de echtheid van het stuk. Haaks hierop staat de brief van Boon aan Bredius van 31 augustus waarin hij uitvoerig het stuk beschrijft en belet vraagt bij de oude expert. De toon van deze brief is zodanig dat alles erop lijkt te wijzen dat Boon en Bredius elkaar niet eerder hebben ontmoet en Bredius het stuk dus niet eerder heeft gezien. Bredius zou zelf “in een extase” schrijven naar Hannema en doet ook in zijn brief aan Visser verslag van het moment dat hij het stuk, terugkomend uit Châtel Guyon zag. Voor de hand liggende vraag is dus of Bredius het stuk eind juni eigenlijk  wel zelf heeft gezien. Helaas zijn er noch van Bredius noch van Boon agenda’s overgebleven, die een exacte reconstructie mogelijk maken van de zomer van 1937.[24] Uit brieven van Hannema aan Bredius van een jaar later kunnen we afleiden dat Bredius in de zomer wel vaker in Grand Hotel Châtel Gyon in Puy de Dome, in de Alpes Maritimes, vertoefde. Ook was hij in de zomer vaak in Den Haag, zo ook in 1937. Wellicht kon de oude  Bredius niet goed tegen de warme zomer aan de Rivièra.Wanneer hij in Den Haag was, nam Bredius altijd zijn intrek in Hotel Des Deux Villes op het Buitenhof. Dit hotel bestaat niet meer, maar wel het gebouw waarin tegenwoordig een bioscoop is gevestigd.[25]  Op zaterdag 12 juni 1937 schrijft hij zijn nicht Janna Brink een brief, waarin hij haar uitnodigt voor een lunch op maandag 14 juni. Later die week kan hij niet schrijft hij, “Dinsdag heb ik andere menschen […] woensdagocht conferentie over schilderijen altijd even druk. Tot maandag, Br.”[26]  Een maand later, 21 juli 1937, schrijft hij weer zijn nicht Janna, nu op briefpapier van Hotel Des Deux Villes. Hierin vertelt hij o.a. dat hij de dag ervoor de Frans Hals-tentoonstelling in Haarlem heeft bezocht.[27]  Dan publiceren De Haagsche Courant, Residentiebode en Het Vaderland alle drie op maandag 28 juni 1937 een ingezonden brief van Dr. H.E. van Gelder, directeur van de Dienst voor Kunsten en Wetenschappen te Den Haag, onder de kop ‘Aanwinsten Bredius-Museum’. Van Gelder begint: “Telken jare als dr. Bredius in ons land terugkeert, brengt het bezoek een verrijking van de verzameling in zijn oude woning op de Prinsegracht met zich mee.” Vervolgens doet Van Gelder verslag van de aanwinsten van dat jaar. Wanneer de stukken daadwerkelijk zijn overgedragen is niet bekend, maar gezien het feit dat de drie bladen het allen op dezelfde dag publiceren was het kennelijk wel bijzonder groot nieuws.[28] Uit bovenstaande kunnen we niet bewijzen dat Bredius ook nog de laatste week van juni in Den Haag was, maar het is wel aannemelijk. Iemand van 82 zal in een tijd zonder vliegtuigen toch niet even op en neer zijn geweest naar Monaco tussen 17 juni, de dag na de bespreking en 19 juli, de dag voor zijn bezoek aan Haarlem? Bovendien had Bredius, zoals uit diverse brieven blijkt, veel last van zijn linkerbeen en kon hij slecht lopen. Een treinreis Den Haag-Menton duurde in die dagen met de nachttrein èn een overstap in Parijs zo’n 25 uur.[29] Bredius schreef later aan Visser dat hij het stuk zag toen hij uit Chatel Guyon kwam. Uit het Journal “Châtel-Guyon Theminal” blijkt dat “son Excellence Monsieur de docteur Bredius (Monaco)”  van 8 tot 15 augustus inderdaad in het Grand Hôtel te Chatel Guyon heeft gelogeerd.[30] Zou hij in zijn brief aan Visser de feiten hebben verdraaid? En waarom, tenslotte,  zou Bredius, die,  zoals overduidelijk is gebleken, een zeer intensief penvoerder was en geen doorslagen of afschriften hield van zijn brieven, in dit geval Kronig hebben gevraagd de notaris te schrijven? Maar waarom heeft Kronig die brief dan geschreven? Een vraag die men zich ook kan stellen is of de brieven van Kronig van 1 juli en van Boon van 31 augustus wel echt zijn. Aan die van Kronig hoeft niet getwijfeld te worden; het is immers een doorslag. De brief van Boon daarentegen roept meer twijfels op. De hele verzonnen heriomst van het stuk is bijvoorbeeld zeer merkwaardig. En zou Boon in zijn brief dan niet hebben gerefereerd aan zijn bezoek ein juni aan de Villa Evelyne? Kan het niet zo zijn dat Boon deze brief op verzoek van Bredius louter voor het archief heeft egschreven, zodat Bredius hem later naar Hannema kon sturen? Mijn veronderstelling is dat Bredius niet thuis was toen Boon eind juni aan de deur kwam. Kronig deed open en bekeek het stuk vluchtig. Kronig vertrouwde het stuk en de man niet en zei Boon dat hij nog contact met hem op zou nemen als hij Bredius had gesproken.  Zelf was Kronig geen expert en kon hij dus moeilijk om informatie een notaris schrijven, dus wendde hij voor dat hij het op gezag van Bredius deed. Niet zonder reden behield hij een doorslag van de brief voor zijn archief en gaf hij als correspondentieadres zijn huis in Florence op. Zou het niet zo geweest kunnen zijn, dat hij Bredius voor een nieuwe fout wilde behoeden? Aan de echtheid van de “Manheimer’ Vermeer werd inmiddels openlijk getwijfeld. Het antwoord van de notaris is ongetwijfeld zeer positief geweest[31]– Boon was immers een respectabel politicus, bovendien ridder Nederlandse Leeuw – waarop Kronig vervolgens Boon gesuggereerd zal hebben eind augustus, wanneer Bredius weer terug is in Monaco belet te vragen. Daar komt bij dat Bredius zich in zijn brief aan Hannema van 13 september 1937 uiterst vleiend uitlaat over Boon: “Weet niet eens ’t adres van Mr.Boon. Was Lid 2e kamer geweest, een charmante man.” Boons visitekaartje is in 1996  wel aangetroffen in het archief Bredius/Kronig!

Bijlage 1: Tekst van de brief van Mr. G.A. Boon  aan Dr. A. Bredius d.d. 30 augustus 1937, op briefpapier van ‘De Casa  St. Jean, Cap Ferrat’, zich bevindende in het archief Museum Boymans in het Gemeentearchief Rotterdam.  “30 aug. ’37 Weledzgd. Heer Als executeur van den boedel eenen familie in het buitenland, waarvan de ongeveer 25 jaar overleden vader een Hollander was, trof ik daarin op een achterkamer een doek van groote schoonheid, die de familie daarin nooit had gezien en waarvan men slechts wist, dat de vader het een 40 à 50 jaar geleden ergens in het Westland gekocht had. Hoe meer ik het bekeek, hoe minder ik mij kon onttrekken aan de gedachte, dat het hier een van de grootste oud-Hollandsche meesters betreft, zooals ook het oordeel was van een mijner vrienden, die – hoewel leek – amateur – altijd veel studie heeft gemaakt van onze zeventiende eeuwsche schilderkunst en dien ik daarom medenam om zijn oordeel aan het mijne te toetsen. Ik was er mij intusschen natuurlijk volkoomen van bewust, dat deze meningen zonder waarde zijn. Vandaar dat dadelijk het plan bij mij rees de beslissing te vragen van de grootsten kenner op dit gebied, d.w.z. van dr. Bredius. En daar ik zes weken later toch evenals andere jaren mijn zomervacantie in st. Jean Cap Ferrat in de buurt van Monaco ging doorbrengen, wachtte ik tot dat ogenblik. Ik heb het doek medegebracht en mijn vraag is of gij mij zoudt willen ontvangen, waarna ik het doek eenige dagen onder uw berusting zou kunnen laten om het te onderzoeken. Ik hoop dat gij mijn verzoek niet te onbescheiden zult vinden en dat ik een bevestigend antwoord van U mag krijgen, wanneer gij mij voor dat doel kunt ontvangen. Met de meeste Hoogachting Uw dv. [ handtekening: G.A. Boon] “  

Bijlage 2: Overzicht van diverse brieven en stukken in archief Bredius/Kronig, de archieven van Vereniging Rembrandt en Museum Boymans, het RKD, de publicaties en andere bronnen. B= archief Museum Boymans Van Beuningen in Gemeentearchief Rotterdam (toeg.nr. 181, bestand 519) Bij de brieven van dr. D. Hannema aan dr. A. Bredius betreft het hier afschriften. A= archief correspondentie hoofddirectie Rijksmuseum, Rijksarchief Noord-Holland (toeg.nr. 476, nr. 1344) R= archief Vereniging Rembrandt in Gemeentearchief Amsterdam (Archiefnr. 330, nrs. 12,44 en 248) Bij de brieven van J. van Hasselt, vice-voorzitter aan dr. A. Bredius betreft het hier afschriften. K= archief Bredius/Kronig, coll. Erven Kronig. M= archief  Prof. Dr. W. Martin, Afd. Archivalia Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag. N.B. Bij de transcripties van de handgeschreven brieven van Bredius zijn alle onderstrepingen, aaneen geschreven woorden e.d. zo precies mogelijk overgenomen.

1 juli 1937   Kronig schrijft notaris Van Gendt een getypte brief met verzoek om “inlichtingen zien te verkrijgen over de betrouwbaarheid/integriteit van den Heer Mr. G.A.Boon”,  n.a.v. diens bezoek met het schilderij. In de brief wordt het stuk vrij precies omschreven. “Reden hiervoor is”, schrijft Kronig. “het wantrouwen in de herkomst en in het schilderij zelf, dat door den Heer mr. G.A. Boon aan Dr. A.Bredius in Monaco, Villa Evelyne, ter beoordeling t.b.v. verkoop werd aangeboden.”

K 30 augustus 1937    Boon schrijft Bredius vanuit Cap Ferrat en vraagt belet. In deze brief vertelt hij uitvoerig de herkomst van het stuk.

B september 1937  Bredius schrijft achterop een foto van het schilderij een expertise en signeert en dateert deze. De tekst luidt: “Dit heerlijke werk van Vermeer, den grooten Delftschen Vermeer is Goddank! uit de duisternis, waarin het zich jarenlang bevond, weer te voorschijn gekomen, ongerept, zoö als het ’t atelier van den schilder verliet. Het is als onderwerp bijna éénig in zijn Oeuvre; en er straalt een diep gevoel uit, zóó als men dit in geen zijner andere werken vindt. Toen  mij dit meesterwerk getoond werd had ik moeite mijn ontroering te bedwingen. En het zal velen zoo gaan die de schilderij zullen mogen aanschouwen. Compositie, uitdrukking, kleur alles vereenigt zich tot een geheel van de hoogste kunst, de hoogste schoonheid! Bredius sept. 1937. “ Foto is in coll.Museum Bredius, Den Haag.

9 september 1937   Bredius schrijft Hannema aan, “Ik ben in een bijna overspannen toestand, in een “extase”. Ik heb hier voor mij een Vermeer […..] Ik heb Mr. Boon die mij de schilderij bracht en aan de Rivèra vertoeft, gewaarschuwd en gezegd dat het minstens f 300,000- waard is [….] Waart U maar hier- U zult even als ik ontroerd zijn van deze schoonheid. Nooit heeft een kenner t nog gezien, nooit verdoekt, nooit in den handel, perfecte conservatie. Wat zullen ze doen, er een veiling apart van houden. tZal wel moeten publ verkocht worden? Nu weet U ervan, heb er niemand over geschreven. Mr. Boon blijft nog eenige dagen hier, komt jaarl. n Cap Ferrat.” get.Bredius. “

B 13 september 1937   Bredius aan Hannema en begint: “Nu kan ik U meer vertellen van Vermeer’s belangrijkste schilderij. n de verte zou men zeggen: een Velasquez! tIs toch wel voor de “kenners” zijn schoonste werk. Hiergeeft hij zijn ziel, en spreekt er diep gevoel uit, en hoe heeft hij het Bijbelwoord gevolgd!” Verder geeft hij nog iets over de herkomst en over de verkoop zegt Br.: “Ik zeide , dat ik hoopte dat een Hr Deterding dit kunstjuweel voor Holland zou redden. Na veel praten zeide hij [Boon, JMM]: ik zal een poging wagen (op ijdelheid speculerend) voor iemand die even rijk is als Deterding, en als hij wist dat hij den Leeuw er voor zou krijgen, wellicht over te halen is. Maar men moet een bod kunnen doen van +- 500,000!! […. Br. meldt dat stuk in de kluis in Parijs is……] U bent de enige dien ik erover schreef. Weet niet eens ’t adres van Mr.Boon. Was Lid 2e kamer geweest, een charmante man.”

B september 1937 ?    Telegram van Hannema aan Bredius, niet gedateerd: “Ravi de découverte. Aimerais voir tableau. stop. Pourriez vous arranger rendezvous. Hannema.”

B 14 september 1937    Boon schrijft Bredius dat het “ooilam (=schilderij) gisteren veilig in Parijs is aangekomen en  in  door mij in een aparte safe bij de Crédit Lyonnais is gedeponeerd.”

K 15 september 1937   Bredius schrijft P.Visser, Hoofd afd. kunsten, departement K&W, lange brief met superlatieven, waarin hij voor een potentiële maecenas de Nederlandse Leeuw vraagt. De brief is integraal gepubliceerd in: F.J.Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands Cultureel erfgoed. DH 1975, p. 236 en 248 noot 267.

17 september 1937   Boon schrijft Bredius met vraag waar het geld gestort moet worden.

K 21 september 1937   Boon schrijft Bredius met mededeling dat de foto’s naar Londen (Burlington Magazine) zijn gestuurd.

K 21 september 1937    Hannema schrijft Bredius dat hij in contact is gekomen met Boon en van hem heeft gehoord dat de foto’s naar de Burlington Magazine zijn gestuurd en vraagt of Bredius wil proberen Boon te bewerken dat voor het schilderij naar Amerika wordt gestuurd Boymans in de gelegenheid te stellen het te zien.

K 22 september 1937  Herbert Read (Burl.Mag) schrijft Bredius dat hij het artikel heeft ontvangen en zal proberen het in het novembernummer te plaatsen. Hij zegt wel dat “Your article will, as you say, need a certain amount of revision. […] I notice that you do not say anything about the date of the picture and its place in the evolution of Vermeer’s work. If you would care to add a sentence about this, I think it would increase the value of the article.”

K 4 oktober 1937   Duveen Parijs stuurt telegram naar hoofdkantoor dat de Emmausganger van Vermeer een ‘rotten fake’ is.

november 1937   In de Burlington Magazine, Vol. 71, 1937, p.211 publiceert Bredius “A new Vermeer”.

10 november 1937   Boon schrijft Bredius dat hij blij is met artikel in de Burlington. Verderop zegt Boon: “Gij schrijft, dat gij nog gaarne zult weten hoe lang het in het bezit van de familie is geweest, voor het geval men U na Uw artikel aanvalt. Ik vermoed, dat de heeren wel voorlopig zoo verstandig zullen zijn om U niet aan te vallen, daar zooals ik U schreef, de eenigen, die het gezien hebben, zijn gij, Hannema, Dr. Schneider en Duveen met zijn assistent (voor de curiositeit sluit ik hierbij in het memorandum, dat ik den dag na het bezoek van Duveen maakte). Zoo brutaal zullen de heeren toch niet zijn om alleen op deze photo een aanval te wagen.”[ dit memorandum is helaas niet bekend, JMM]  In deze brief volgt ook nog een stuk “herkomst’” en de mededeling dat hij het verzoek heeft van kunsthandel Katz te Dieren om stuk te tonen en wat Boon na de ervaring met Duveen niet zal doen.

K 12 november 1937    Bredius aan Hannema “Gelukkig hebt u den heerlijken, echten Vermeer gezien!! Er wordt n.t. schijnt door Schmidt Degener een campagne tegen en vooral tegen mij! medegemaakt. Het heet dat ik “aftands” ben en niet meer zien kan. Hij die dezen, echt gem!! onaangeroerde Vermeer, die bijna 50 j. in een donkere kamer onherkend hing, niet kàn zien, niet kan bewonderen! moet zijn –snuit” maar houden – Vooral als men voor F 80.000.- [onduidelijk] van copie nr Jerome Bosch t Rijk aangesmeerd heeft. Ik hoor dat SD. bijgenaamd wordt “t knechtje van Duveen”. Vandaar de overeenkomst van beider “oordeel”. Die Vermeer bij Manheimer ex Tersteeg is ook echt als goud en wordt ( op S.D? aanraden) in den brandkast weggesloten. Vraagt U uit mijn naam eens aan M of u t eens zien moogt. Men krijgt de brui van al die ‘kunstvrienden”. Natuurlijk, ik zou geen mensch zijn als ik mij in 82 jaren niet een paar keer vergist had. En 1 of 2 keer heel lelijk. Maar wat staat er tegenover van ontdekkingen! Ik ontdekte de Vermeer van Coats, moest er toen om ’t kunsth plezier te doen, een artikel in N.Rott C overschrijven, dadelijk verkocht aan Coats.  Ik ontdekte bij een déjeuner hoog boven schoorsteenmantel hangend, ’t kleine Vermeertje van Dezgrez te Brussel. Ik ontdekte mijn Vermeer voor 800 MK! En verkocht hem om groote verliezen te dekken voor 3 million frs.- Hoeveel Vermeers heeft S.D. ontdekt???[handschrift lijkt geëmotioneerd te worden, JMM] En die juffr. bij een mooi fransch schilderij dnl niets met Vermeer te maken heeft. Zoo aftands ben ik niet of ik zie dat in 1 minuut- En deze schilderij- in 3 minuten. Adieu, Hetste [het beste  aaneen, letters vergetend?, JMM]  met Uw mooi museum. get. ABredius (aaneen) Pen gedoopt inbitterheid.”

B 19 november 1937    Bredius  aan Hannema: “Waarde Heer Hannema, tIs toch gruwelijk dat door iemand die de schilderij niet gezien heeft, zoön stuk “afgemaakt” moet worden. Vraagt U aan Mr. Boon of u het een poos in Boymans moogt hebben. Dan ziet v.B. het en koopt het. Al zou het maar voolropig zijn: ééns in Holland zullen er wel “Rembrandt” en anderen zijn, die zorgen zullen dat ’t Nederland niet verlaat. Ik heb er Remb niet van in kennis gesteld omdat ik hoopte dat Boon dien rijken man zou bepraten het aan de staat te schenken. Ik had al bedisseld, dat hij dan d Leeuw kreeg.-“ en zo gaat hij nog even verder in deze brief van 4 kantjes, memoreert weer even dat het ‘nooit in de handel’ was. Weer wordt aangehaald dat Schmidt Degener het stuk tegenhoudt, tegen Hannema” Waarschuwt hem om toch in zoo’n ongelijk niet te volharden en eens tsch te zien en de echtehandt. daar tegen kan men toch niets zeggen. Ent pointillé, een 2e handteekg. Schneider ging er voor nParijs en kwam vol bewondering terug. [handtekening Bredius en gaat eronder verder] ”Ik beken openhartig  dat ik mij eensmet een “Vermeer” dat een lor was vergist te hebben, hoe begrijp ik nog niet. Maar wie heeft zich nooit vergist? Die fransche “Vermeer” van Uwe tent. is laatst hoor ik niet duur te Londen verkocht. i Is echt Fransch, Juynboll heeft er een artikel over geschreven.” B 20 november 1937    Boon schrijft Bredius dat hij drie mensen het stuk in Parijs heeft laten zien: 2 kunsthandelaren en Prof. Martin. Martin zou enthousiast zijn en Bredius zelfschrijven.

K 22 november 1937  Hannema schrijft Bredius in antwoord op diens brief van 20 november: “Uw brief mocht ik één dezer dagen ontvangen. Ik heb eens gepolst, maar de Heer Schmidt Degener heeft het schilderij nimmer gezien. Ik kan mij daarom ook niet begrijpen, dat hij zich op de een of andere wijze erover zou hebben uitgelaten. U moet zich niets van dergelijke geruchten aantrekken: het schilderij spreekt voor zichzelf!” Zegt verder al maanden geleden Boon voorgesteld te hebben het schilderij tijdelijk naar Boymans te brengen.

B 2 december 1937      Bredius schrijft Vereniging Rembrandt een brief van 6 kantjes en attendeert deze op zijn vondst. Hij benadrukt dat het nooit in de handel is geweest, ““een enkele retouche, puur!! ““ Schrijft verder dat Boon hem had gevraagd “Hoe moet ik het voor de fam. verkoopen. Duveen? Ik zeide: laat ons trachten deze enormen schat voor Nederl. te behouden. Deterding? Neen, die doet zoiets niet, maar ik ken iemand die even rijk is en uit ijdelheid (lintje) het wel zal doen. Dit weerhield mij u eerder te schrijven […….] en toen is Boon n Duveen gegaan. O neen, dat is geen Vermeer. Maar mag ik de foto een paar dagen. Duveen zend zijn zeer verwaand stomme adjudant nl A. om ’t knechtje van Duveen (zoo heet S.D. bij de kunsthandel) te laten zien. SD zegt (even als D ) zonder t stuk te zien !!! O neen, nooit Vermeer, Bredius is oud, aftands, ziet niet meer enz. en nu is t stuk ge”declasseerd” (Arme SD. wat een blunder!!!). Nu zijn Hannema, Schneider en Martin allen in Parijs geweest. Vraagt u hen om hun beoordeling. Ik sluit Martins brief bij ( dat is nu wel voor mij absoluut geen autoriteit maar hier heeft hij volkomen gelijk en is goed uitgedrukt.) Nu zou t erg zijn als (door SD stommiteit) een der grootste kunstwerken van onze school ons ontging” Verder in deze brief adviseert hij o.a. nog vooral niet Luitweiler het te laten restaureren “als t maar niet in handen komt van den schilderij verwoester Luitweiler” en sluit af met adres van Boon.[Hij ondertekent met naast zijn handtekening ]“De oude aftandsche man.!!”   R Ingesloten is de niet gedateerde brief van Martin, geschreven op een “donderdag” op briefpapier van hotel St. Petersbourg in Parijs. Hij begint: “ W.H.! Heden zag ik dus IMEER [in monogram] hier in de safe. Wat een prachtig doek! Every inch a Vermeer, en zoo gaaf als ’t maar zijn kan. Alleen is verdoeken hard noodig [….] Ik hou met u dit doek voor vroeg werk, misschien nog vóór de Koppelaarster van ’56.- Ik was zeer sterk onder den indruk. Wat is die uiterlijk  lelijke Christus door de vergeestelijking der expressie een onvergetelijk mooie kop geworden! en de handen! Het is een wonderbaarlijk doek en een trouvaille waarmee wij ons allen mogen gelukwensen. Moge het stuk voor Holland behouden blijven”.

R 3 december 1937  Bredius aan Martin. “W.H. Uw schrijven verheugde mij. Ik hoop dat U ten spoedigste Heldring[toen voorz. Ver.Rembrandt, JMM]  inlicht, wat ik heel uitvoerig deed. S.D. heeft ’t stuk niet gezien en maakt het overal slecht. hij heeft Duveen “ingelicht” die er niets van weten wil, waarom wij het stuk zeker goedkooper zullen krijgen. […..] Kan de Ver. Rembr. meteen vergadering uitschrijven. Mijn gevoelens heb ik in een schrijven van 8 pag. aan Heldring kenbaar gemaakt. De oude  aftandsche” Bredius leeft nòg. Uw dv. get. Bredius.” En dan voegt hij als losse tekst toe: “Natuurlijk kon Vermeer zulke groote doeken met zulke trieste koppen niet verkoopen. Portretten schilderde hij niet maar volgde op zijn manier Dou en Mieris die rijk werden. En toen hij die klein [ onduidelijk]  ging het veel beter. Ze werden goed betaald (De Monconys) – en ons is veel grootscher kunstwerk ontgaan.”

M 5 december 1937  Bredius aan Hannema. “Hoor dat U t geld wel zou hebben. Ik denk dat als men in francs een flink bod doet: 4 of 5 millioen frs bijv de Vermeer wel te krijgen zou zijn. Nu is men blijkbaar teleurgesteld; van dit moment moet men profiteren.”

B 7 december 1937  Bredius stuurt telegram naar Vereniging Rembrandt:  “apprends broon demande 350 mille valeur  artistique absolument meme eamaus rembrandt louvre faites tout pour garder hollande se tresor unique = bredius = “

R 7 december 1937   Bredius aan Hannema en begint: ” Ik word gebombardeerd met telegr. en brieven over de IMEER ([naar het monogram op het doek, JMM] Het begint nu te spannen. [….] Maar wat moeten de HH van “Remb” doen? die door S.D. geïnspireerd worden. Laat U niet van de wijs brengen.- er zijn maar 40 Vermeers en dit is de belangrijkste (en m.i. de schoonste.) Als we nog wachten gaat het weg. Al de kooplui die mij beloven, als ik ze help, het stuk in Holl. te houden geloof ik niet e geef geen antwoord. “Rembr” kàn geld voorschieten maar wat kunnen die HH doen als de “kunstgeleerde” comm.leden v.h. dagel. Bestuur afraden? Martin kwamopgetogen uit Parijs terug, dito Schneider.” Bredius gaat verder over een restauratie door Van Bohemen, die hij Hannema adviseert. “Ik ben heel bang voor Luitweiler die menig schilderij 1/3 vermoord heeft. Ik kan van de Vermeerkwestie niet meer slapen.[….] Ik zou U zoo gunnen als U de schat kondt binnenloodsen. t.a`.t. Bredius”

B 8 december 1937   Vereniging Rembrandt [niet ondertekend in doorslag,  J. van Hasselt] aan Bredius. van Hasselt dankt Bredius voor diens brief en telegram, zegt te antwoorden als plaatsvervanger van Heldring die op reis is. Over de aankoop: “Gezien het bedrag, dat er mede gemoeid is, gaat de financiering onze krachten te boven. Van het Nationaal fonds mogen wij alleen de rente voor aankoopen besteden en ons eigen kapitaal is bij lange na niet toereikend, in zulke situaties hebben wij echter reeds meer verkeerd en, dankzij de medewerking van Staat en particulieren, toch groote dingen tot stand gebracht. Dus mogen wij ook nu, wanneer het bestuur besluit, de zaak aan te pakken, niet wanhopen. Uwe met jeugdig vuur geuite beoordeling is voor mij in ieder geval een belangrijke aanwijzing. Intussen heeft ook de heer Hannema reeds mijn  aandacht op de zaak gevestigd, terwijl  uit een gesprek, dat ik met Prof. Martin heb gehad, blijkt, dat deze geheel Uwe zienswijze deelt. Ook met den heer Visser van het Departement sta ik over in contact.”

R 8 december 1937  J. van Hasselt, waarn. voorz. Ver. Rembrandt schrijft vergadering Dagelijksch bestuur uit n.a.v. een brief van Dr. A. Bredius, “waarin onze aandacht wordt gevestigd op een aan de markt zijnd important schilderij van Vermeer”.

A. 8 december 1937  Hannema aan Bredius. Wanhopig schrijft Hannema: “Ik heb zoojuist vernomen, dat het schilderij van Vermeer naar den kunsthandel Hoogendijk verhuisd is. Ik betreur het diep, dat een Nederlandsche openbare verzameling niet in de gelegenheid werd gesteld het stuk voor een zelfde bedrag als de kunsthandel te verwerven. Ik had reeds een aanzienlijk bedrag bijeen, doch vrees, dat thans alle pogingen ijdel zijn geweest. Het is een ellendige geschiedenis…….”

9 december 1937   Bredius aan Martin. “Wat te doen? Als Hannema werkelijk ’t geld heeft (vB?) dan dadelijk er werk van maken – men moet ’t ijzer smeeden- Wilt U van Hasselt van Rt inlichten.” Na deze aansporing gaat Br. weer even in op S.D.’s houding: “Die menschen durven niet omdat SD in zijn koppigheid zegt t is geen Vermeer. En kent alleen de foto. Zeg toch dat ’t nooit in de handel was, nooit bij kunstkoopers, [….] goudecht is. M.I. even belangrijk als Gezicht op Delft , of als u stelt als de Nachtwacht.” Bredius besluit te zeggen dat hij zelf helaas geen geld heeft.

M 11 december 1937  Bredius aan Van Hasselt.  Meldt dat de Vermeer aan Hoogendijk is verkocht. Pleit nogmaals voor het stuk “Ik zou wenschen dat t stuk, eer het t land verlaat, een poosje in onze musea te zien zal zijn”. Zegt verder “Jammer dat ik geen Beuningen of Deterding ben. Er moet nog een heel rijk man zijn, die t best had kunnen koopen.”  R 13 dec 37 Vergadering Dagelijks Bestuur Vereniging Rembrandt. Aanwezig : J. van Hasselt, E.A. Veltman, dr. Schmidt Degener, D. Hannema, Dr. A.Pit, J.P. de Josselin de Jong, Prof.Dr.W.Martin en M.P.Voûte. Van Hasselt zit voor en meldt dat Hannema de Vereniging Rembrandt  heeft verzocht “hare hulp voor de verwerving van dit stuk te willen reserveeren.” .Voorzitter doet ook melding van brief en telegram van Bredius en geeft woord aan Martin, die toelichting geeft  “waaruit blijkt, dat men met een uniek kunstwerk heeft te doen en dat er alles op gezet moet worden om het voor Nederland te behouden.”. Voorlopig wordt besloten een gift van Fl. 50.000 beschikbaar te stellen. Omdat behalve Hannema en Martin niemand het stuk gezien wordt besloten naar Hoogendijk te gaan. Dit bezoek heeft “in de eerste plaats den heer Schmidt Degener en ook de overige aanwezigen overtuigd, dat men met een niet alleen zeer zeldzaam schilderij, maar ook met een kunstwerk van de grootste artistieke waarde te doen heeft en dat voor het behoud van dit werk een gift à fond perdu, die als het moet, nog iets hooger zou kunnen gesteld worden, ten volle verantwoord is.” De voorzitter wordt gemachtigd verder met Hoogendijk te spreken. Einde vergadering.  R 15 december 1937  Boon aan Bredius: Boon meldt Bredius dat  de Vereniging Rembrandt bij Hoogendijk is geweest, deze de prijs op Fl. 520.000 heeft gezet en de Rembrandt tot 28 december heeft om het geld bijeen te brengen. Boon zegt dan als het niet is gelukt naar de VS of Engeland te gaan. K 16 december 1937  Schmidt Degener aan Van Hasselt: SD blikt nog even terug op de wkestie van een eventuele aankoop door het rijk van het stuk. Uit de brief blijkt dat SD zich neerlegt bij de gedachte dat het Rijkmuseum “den parijschen Vermeer nu niet zal krijgen”.  A 20 december 1937  Bredius aan Vereniging Rembrandt. Bredius schrijft de prijs van Boon gehoord te hebben en is een beetje kwaad: “We hadden ’t veel goedkooper kunnen hebben als ervan alle zijden zoo getraineerd was.” Bredius biedt de Rembrandt daarop fl. 12.000 aan. “Ik heb voor zoovele menschen te zorgen – en die zonder mij heel ongelukkig zoude zijn. “ Hij zegt vervolgens “Hang dezen Vermeer tussen Tiziaan en Tintoretto. Het zal er niet door doodgeslagen worden: integendeel het zal door de diepte van sentiment verbonden aan een heerlijk koloriet toonen dat Vermeer een meester van allereerste grootte is.”  Hij geeft nog even Schmidt-Degener een veeg uit de pan: “Ik betreur t dat de luchtigheid waarmee S.D. dat stuk en deze aangelegenheid behandeld heeft mij diep teleurgesteld heeft. Hannema had al geld bij elkaar doch op lange na niet het bedrag.Ik houd dit werk ook voor een der heerlijkse scheppingen onzer schkunst en een ramp alst land uit moet gaan.”  R 24 december 1937   Van Hasselt aan Bredius; doet melding van de aankoop. Rembrandt heeft deel betaald en “voor de rest wordt het door een Rotterdamschen maecenas gefinancierd”. Doet kort verslag van de ingewikkelde opzet (zakelijk en juridisch) en stelt te aarzelen de gift van Bredius  te aanvaarden maar als Bredius nog steeds wil dit wel toe te juichen en vraagt hem de gift dan te storten op de rekening van Rembrandt. Hij stelt vervolgens nadrukkelijk dat “ons geheele Bestuur Uw bewondering voor het stuk deelt, ook Schmidt Degener, al loopt hij voor een VERMEER nu eenmaal niet zo warm als zijn collega’s in Den Haag en Rotterdam, maar dat neemt niet weg, dat hij mij in alle phases van deze zaak, voor zoover noodig, met groote overtuiging gesteund heeft.”

R 26 december 1937  Bredius aan Van Hasselt: “Behoef ik het U te zeggen hoe gelukkig Uw telegram mij maakte en nu Uw brief. ik zal gaarne mijn belofte gestand doen: mag ik in januari f 6000.- doen storten en f 6000.- in februari ? Het doet mij ook genoegen dat SD het stuk nu ook waardeert.” Bredius laat zich dan ineens ook uit over de ‘Manheimer Vermeer’: “Ik zou alleen nog eens willen zien den Vermeer van Manheimer, dien hij weggesloten heeft omdat S.D. gezegd heeft dat hij valsch is. Ik publiceerde het stuk ook in Burlington M. en kan niet begrijpen dat ik mij dáárin vergist heb. Ik heb mij wel degelijk eenige malen danig vergist, in een lang leven ben ik toch maar een heelemaal niet onfeilbaar wezen gebleven. Maar ik heb toch 4 Vermeers ontdekt ( DezGrez, Brussel, Coats in Edinburgh, mijn eigen stuk dat ik de minst aantrekkelijke vind en nu  dit heerlijke stuk.”  Bredius gaat nog even verder en sluit af met grote dank “dat u zoo prachtig alles tot een goed einde hebt gebracht en wat zal Hannema blijde zijn. “

R Ongedateerd , vermoedelijk 25 of 26 december 1937  Bredius aan Hannema: “Men zal nog lang spreken van Hannema die dien heerlijken Vermeer aankocht!!”

B 28 december 1937  Hannema aan Bredius.  “Hartelijk dank voor Uw schrijven, dat zoojuist binnenkomt en dat ik bijzonder op prijs stel. Het is een zware taak geweest om een oplossing te vinden, maar het plan, in veele slapelooze nachten uitgebroed, is dan toch ten slotte gelukt.” Hannema vertelt over de financiering door “een nieuwe vriend van het Museum, die ongenoemd wenscht te blijven – zeer in vertrouwen wil ik U wel zeggen: het is de Heer van der Vorm”. Hannema eindigt: “Misschien bent U in Uw enthousiasme bereid om ook een steentje in de verwerving bij te dragen? Ik hoop niet, dat U mij deze vraag euvel duidt. Met hartelijken groet, “

B 28 december 1937   J. van Hasselt aan het DB van de Ver. Rembrandt: Van Hasselt deelt mede dat Bredius een gift van Fl. 12.000 heeft toegezegd, zodat de bijdrage van de Ver. R. nu teruggebracht kan worden tot Fl. 38.000.

A 30 december 1937   Hannema aan Van Hasselt: Hannema stelt dat de gift van Bredius niet in mindering gebracht mag worden op de bijdrage van de Ver. Rembrandt. Dat zou verkeerd vallen bij ‘zijn’ geldschieter W. van der Vorm. “Het zou een mooi gebaar tegenover hem [ Van der Vorm, JMM] zijn, wanneer de Vereeniging Rembrandt kon zeggen: “Zie, de nestor van de Nederlandsche kunsthistorici waardeert uw daad zoozeer, dat hij hierbij een belangrijke bijdrage voor het beriken van dit doel wenscht te doen”. “

A 30 december 1937   Hannema aan Bredius: dankt hem voor de schenking van f 12.000, maar begrijpt van Van Hasselt dat het bedrag van de bijdrage van de Ver. Rembrandt afgetrokken zal worden en vraagt of daar wat aangedaan kan worden.

B 31 december 1937   Van Hasselt aan W. van der Vorm; deze brief is blijkens opschrift op doorslag, geschreven na een telefonisch gesprek met Hannema:  Namens de Ver. rembrandt deelt Van Hasselt mede dat Dr. Bredius een gift heeft gedaan van Fl. 12.000. “Wij wilden U deze som gaarne aanbieden als eerste bijdrage in de aflossing van het door u verleende crediet, daarbij de hoop uitsprekende, dat het enthousiasme van den nestor onzer kunstgeleerden voor dit schilderij en zijn spontane steun tot het behoud ervan eene aansporing moge zijn voor velen, om zijn voorbeeld te volgen.”

31 januari 1937  Schmidt Degener aan Van Hasselt: gaat akkoord met de oplossing m.b.t. de ebstemming van de gift van Bredius.

4 januari 1938   Bredius aan Hannema, in antwoord op diens brief: “Wat U van mij vraagt kan ik onmogelijk doen. Ik ben eerelid van “Rembr” en heb toch dat geld gegeven om die Vereeng in staat te helpen stellen dat overheerlijke kunstwerk voor Nederland te redden, en dat is gelukt.” Bredius gaat verder met opmerkingen over de restauratie en sluit af: ” Weest U nu maar niet boor + tevreden dat U dezen schat binnengeloodsd hebt.! Uw toeg. Bredius [en eronder]  kan bijna niet meer loopen!!!”

voor 4 januari 1938  Bredius aan Hannema. Deze brief is, zoals Bredius aangeeft “inhaast” geschreven en niet gedateerd, maar moet gezien de volgende brief voor 4 januari geschreven zijn. Hij begint: “Weet U waar ik doodsbang voor ben? Dat de moordenaar van schilderijen, Luitweiler nu ineens de Vmeer moet “schoonmaken” […..] Nooit vergeet ik wat Mesdag mij eens, in t Mh. zeide: Ja Bredius, dat is bij ons t ongeluk dat de tijd erniet overgegaan is. Je zou eens zien hoe veel mooier mijn schilderijen over 50, 100 jaren zullen zijn als de tijdgeholpen heeft, de vernis een achter gloed over de stukken spreidt, alle hardheden verzachten, dekleuren beter in een smelten – er ontstaan dan een fijnheid v harmonie diewij erniet in kunnen brengen.” Vervolgens waarschuwt Bredius wederom voor Luitweiler. Hij besluit: “Wat zal ik blij zijn als ik tnog mag beleven datstuk in Mei in B. te mogen zien hangen. Inhaast – maar gaarne Uw dv Bredius “.

B 6 januari 1938   Hannema aan Bredius. In deze brief, in reactie op bovengenoemde brief, stelt Hannema Bredius gerust door te zeggen dat Luitweiler “ de 15 jaren van mijn directeurschap geen enkel schilderij verpoetst [heeft,JMM]”. En dan komt ook Schmidt Degener weer even in beeld. “Ik ben er ook bij geweest toen de heer Schmidt-Degener voor het eerst bij Hoogendijk de Vermeer zag. Hij was er werkelijk diep van onder den indruk en wilde het gaarne voor het Rijksmuseum verwerven. Wij zijn hem echter voor geweest!” Hannema besluit met de mededeling dat hij als geschenk van de vrienden van het museum de zogenaamde ‘Accountant’ van Rembrandt heeft weten te verwerven.

B 27 januari 1938   Bredius aan Hannema. Bredius schrijft nu met opschrift ‘vertrouwelijk’ en meldt Hannema dat hij de Nederlandse Leeuw bij Visser had geregeld voor een eventuele koper en vindt nu dat Van der Vorm toch wel recht heeft op een onderscheiding. “Ik weet niet of dat wel de Leeuw mag zijn maar een rozet ON verdient hij zeker. Heeft hij die, dan den Commandeur. Hebt u met de Hr Visser soms daarover reeds gesproken? [….] Ik schrijf iets wat me al lang opt hart lag. De dv Bredius”. B 10 februari 1938  Bredius aan Hannema. Begeleidend schrijven, waarmee hij de brief van Boon van 30 augustus 1937 opstuurt. “Dit schrijven zal ik u afstaan omdat het in Uw Archief thuishoort, de oorsprong van de ontdekking waar t stuk gehangen heeft, jarenlang, in de linnenkamer. Boon heeft mij nooit den naam genoemd der erfgenamen en ik ben niet nieuwsgierig en heb er ook niet naar gevraagd.”

B 3 maart 1938   Boon aan Bredius. Boon meldt dat hij op verzoek van Bredius een rectificatie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant heeft geschreven en zend het artikel mee. Verder blikt hij terug op de kwestie.

K 8 maart 1938   Bredius aan Hannema. In 3 kantjes stelt Bredius de bezorgde vraag hoe het met de bedoeking is afgelopen. Hij wijdt weer uit over Van Bohemen, de kleuren e.d. en de bovengenoemde opmerkingen van Mesdag. Hij besluit: “Stelt U  mij nu eens gerust met een enkel woord”.

B 12 maart 1938  Hannema aan Bredius. Hannema bericht dat alles goed verlopen is en hij ook een prachtige Lodewijk XIII lijst heeft gevonden.

B 19 maart 1938  Bredius aan Heer Voet. Aan een verder onbekende  heer Voet schrijft Bredius o.a. “Als u kunt moet U te Rott. dien heel mooien Vermeer Emmausgangers gaan zien een der mooiste holl. schilderijen die er bestaan. Voor f 520.000 voor Rott. gekocht met geleend geld !!” Onder zijn handtekening schrijft hij: “Ben miserabel overigens gezond voor 83!- “ RKD, Archivalia Bredius.

10 mei 1938   Bredius aan Martin, vanuit Florence. Over de Vermeer: “Dat die heerlijke Vermeer toch in Holland bleef is voor mij een groote voldoening. Begrijp niet waarom, dat stuk zoolang het publiek onthouden werd. Hoop dat Luitweiler het niet bedorven heeft. Was zoo “unberürht”. En dan laat hij zich vervolgens uit over de actualiteit: “U hebt geen begrip van die Hitler drukte hier!!! Ongelooflijk! Bredius aet.83 “.

M 12 mei 1938   Bredius aan Hannema. Hij schrijft veel brieven te krijgen van mensen die “denken een Vermeer te hebben.”  Tevens nodigt  hij Hannema uit om begin juni als hij in Den Haag is in Hotel De Twee Steden te komen eten.  B 26 juli 1938   Bredius aan Hannema, op briefpapier van Hotel Des Deux Villes, La Haye. Hij schrijft: “Tot mijn leedwezen hoor ik dat er groote blazen op de Vermeer zijn gekomen door slecht verdoeken. Ik begrijp die groote liefde voor Luitweiler niet, die echte handteekeningen van de schilderijen in B. weg gepoetst heeft en zijn vak niet verstaat. Ik verzekerde dat Bohemen beter werkt en voorzichtiger is. ik schreef U wat hij met dat stilleven van Karnebeek deed: wat u kunt gaan zien.” getekend Bredius.

B 28 juli 1938   Hannema aan Bredius, p.a. Hotel des Deux Villes. Hij stelt Bredius gerust en zegt dat alles zeer overdreven is. Er waren weliswaar twee kleine blazen waar te nemen. “Zij zijn thans echter reeds verdwenen.’ Hij besluit: “Ik zou het op prijs stellen, indien U er zich zelf van zoudt kunnen komen overtuigen. “

B 4 augustus 1938   Bredius aan Hannema. Weer schrijft Bredius dat hij gehoord heeft dat er allerlei blaasjes op het stuk zitten en stelt weer dat bohemen beter was geweest voor het bedoeken. Hij besluit: “Ik ben zeer bedroefd over dezen gang v zaken; vrees dat een nieuwe verdoeking plaats moet vinden, dus zou U raden dan minstensdeWild te nemen en dezen knoeier voorgoed uit te schakelen. Steeds met hartelijke belangstelling” getekend Bredius.

B 6 augustus 1938   Hannema aan Bredius, p.a. Hotel Twee Steden. Hannema stelt wederom dat alles overdreven is en sluit af: “U kunt werkelijk gerust zijn!!! “

B 7 augustus 1938   Bredius aan Hannema, vanuit Grand Hotel Châtel Guyon Puy de Dôme France. Bredius schrijft weer teleurgesteld te zijn.

B 8 augustus 1938   Hannema aan Bredius, p.a. Puy de Dôme. Hannema probeert hem weer gerust te stellen.

B 15 augustus 1938   C.B. van Bohemen aan Bredius.  Na een verhandeling over restauratietechnische zaken met vragen als “zijn er wel koperen spijkers gebruikt en niet de roestende ijzeren” zegt Van Bohemen in deze getypte brief van 2 kanten: “Dagelijks verschijnen er berichten in de couranten, dat buitenlanders verrukt zijn over het werk van Vermeer, berichten die door de Directie van Boymans aan de pers verstrekt worden en welke men natuurlijk met instemming leest. Maar met hoeveel méér instemming zou men nog lezen, wanner men de zekerheid had, dat men het doek ook aan de achterkant met volkomen gerustheid kon bekijken en het door vaklieden kon beoordeeld worden, die zouden mogen constateeren, dat het meesterwerk vakkundig hersteld en voor onafzienbaren tijd veilig geconserveerd is, iets, hetwelk men onder de tegenwoordige omstandigheden, waar zich zulke verradelijke verschijnselen voordoen, ernstig meent te moeten betwijfelen.”

B 22 augustus 1938   Hannema aan Bredius,p.a. Puy de Dôme. In reactie op een briefkaart geeft Hannema antwoord op een drietal technische vragen over de bedoeking en zegt wederom tot slot ”Het spijt mij werkelijk zeer dat U niet eens zelf op het laatst gelegenheid heeft gehad om het schilderij te bezichtigen: U zoudt er zich van hebben kunnen overtuigen, dat het schilderij goed verzorgd is.” Getekend Hannema.   B 25 augustus 1938   Boon aan Bredius, p.a. Chatel Guyon. Boon  betuigt zijn spijt dat het zo slecht gaat met het been van Bredius en zegt over het stuk: “De eerste maal, dat ik het schilderij zag, was ik er zeer tevreden over, dat er betrekkelijk weinig aan gerestaureerd was en dat men tafeltje, kannetje enz. vrijwel intact had gelaten. Over de vrouw, die men op alle reclamebiljetten ziet, was ik minder gelukkig, al heb ik niet opgemerkt, dat zij vol blazen zit, maar ik erken gaarne, dat ik in dit opzicht allerminst deskundig ben.”

K Artikel Bredius in Oud-Holland LV (1938), p.97-99: Nog een woord over Vermeer’s Emmausgangers. In dit artikel geeft Bredius zijn verklaring voor het feit dat Vermeer doorgaans alleen kleine schilderijen had gemaakt en maar een enkele keer een grot Bijbels schilderij. De verklaring zoekt hij in het simpele feit dat de kleine stukken beter betaalden.

2 januari 1939   Bredius aan Martin. O.a.: “Ik was ontzet dat na de verdoeking door L. de Vermeer vol bulten en blazen zat”

M 27 april 1939    Bredius aan  onbekende:”[ …] Maar mijn linkerbeen verkalkt en ik kan bijna niet meer lopen. […] “U moet toch den Vermeer in Boymans eens gaan genieten, een der schoonste kunstwerken die Nederland nu bezit”. RKD, Archivalia Bredius.

Het financiële vervolg:  17 jan. 1939 bericht Vereniging Rembrandt  Hannema dat er uiteindelijk aan schenkingen in 1938 is binnengekomen t.b.v. de Emmasugangers: 12.000 van Bredius, 1000 van Hr. I. de Bruyn en 250 van Mw. Van Lelyveld-van der Wijck.

B 19 juli 1939 bericht Hannema de Vereniging Rembrandt dat de St. Boymans is opgericht en in een tweede brief dat de Rotterdamsche Bankvereeniging “ten behoeve der nieuw op te richten stichting afstand doet van al haar rechten en aanspraken, uit de overeenkomst van 24 december 1937 voortvloeiende, op de EMMAUSGANGERS.” De contracten worden herzien en de Rotterdamsche Bankvereniging schenkt nu formeel het stuk aan de Stichting. Boymans. Deze stichting is door toedoen van de heerVan der Vorm  opgericht. De Minister van Financiën verleent 21 jan. 1939 kwijtschelding van schenkingsrecht aan de Bank.

B.   Nabrander: 3 november 1947   Mr. J.J. Fokma aan directie Boymans. “Mijne Heren. Inzake van Meegeren. De Heer W.v.dVorm alhier heeft indertijd in verband met bovengenoemde zaak mij ter hand gesteld het hierbij gevoegde afschrift van een schrijven van de Heer G.A. Boon aan Dr. Bredius d.d. 30 Augustus 1937. Het origineel van dit schrijven, dat een belangrijke rol heeft gespeeld bij de aankoop van de Emmausgangers, zou in het bezit van het Museum Boymans zijn. Waar ik overweeg de Heer Boon aansprakelijk te stellen, zou ik het zeer op prijs stellen de originele brief van U ter inzage te ontvangen, opdat ik daarvan fotocopieën zal kunnen laten vervaardigen. Gaarne de bedoelde brief van u tegemoetziende verblijk ik, Hogachtend, ‘ getekend J.J.Fokma.” B.

Graag wil ik Albert Blankert en Edward Dolnick hartelijk danken voor hun vele op- en aanmerkingen, suggesties en aanwijzingen, die ik veelal per email kreeg als reactie op archiefvondsten waarvan ik hen op de hoogte bracht.

NOTEN

[1] Tableau, 18e jaargang, vol. 18, nr. 15, april 1996, p. 39-45. [2] Het betreft de volgende archieven: archief Museum Boymans Van Beuningen in Gemeentearchief Rotterdam (toeg.nr. 181, bestand 519) Bij de brieven van dr. D. Hannema aan dr. A. Bredius betreft het hier afschriften; Archief correspondentie hoofddirectie Rijksmuseum, Rijksarchief Noord-Holland (toeg.nr. 476, nr. 1344); Archief Vereniging Rembrandt in Gemeentearchief Amsterdam (Archiefnr. 330, nrs. 12,44 en 248) Bij de brieven van J. van Hasselt, vice-voorzitter aan dr. A. Brediusbetreft het hier afschriften. Waar de stukken worden geciteerd is de oorspronkelijke schrijfwijze aangehouden en zijn ook de voor Bredius karakteristieke onderstrepingen en afkortingen over genomen. [3] Bijvoorbeeld: M. van den Brandhof, Een vroege Vermeer uit 1937. Achtergronden van leven en werken van de schilder/vervalser Han van Meegeren. Utrecht/Antwerpen 1979, D. Kraaijpoel en H. van Wijnen, Han van Meegeren en zijn meesterwerk van Vermeer. 1889-1947.Zwolle 1996 en recent nog F.H. Kreuger, Han vanMeegeren, Meestervervalser. Diemen 2004. [4] Dr.D. Hannema, Flitsen uit mijn leven als verzamelaar en museumdirecteur. Rotterdam 1973. [5] Brandhof, op.cit. (noot 3), p.101,102. [6] Zie voor een biografie: www.parlement.com/9291000/bio/00161. [7] Brief  d.d. 31 januari 1938 in archief Bredius/Kronig bij de Erven Kronig. [8] Zie voor de gang van zaken rond dit schilderij: B.Broos, Een hoogst onbehagelijke Vermeer; in: Mauritshuis in focus, Jaargang 8, December 1995, p. 161. [9] Brandhof, op.cit. (noot 2)  p.101, baseert zich hierbij op de zogenaamde “Bescheiden betreffende strafzaak Van  Meegeren 1947”, en niet op de brief zelf in het Rotterdamse Gemeentearchief. Helaas zijn alle stukken die betrekking hebben op de strafzaak bij de overdracht van het archief van de Rechtbank Amsterdam naar het rijksarchief voor Noord-Holland te Haarlem vernietigd. Dit is gebruikelijk in strafzaken, waar een vonnis is uitgesproken van één jaar gevangenisstraf of minder. Zo kon door mij dus niet geverifieerd worden welke stukken Van de Brandhof heeft gebruikt als bron. Wel bewaard is het vonnis; dit is in te zien in Haarlem met als toegangsnummr 489-424, vonnis 4141. [10] J.R. ter Molen (red.), 150 jaar Museum Boijmans Van Beuningen; Rotterdam 1999, p.79, 80. [11] Een probleem bij de reconstructie aan de hand van de brieven is dat Bredius van zijn handgeschreven brieven geen doorslagen achterhield en er van Boon geen archief meer is, naar mij telefonisch  is mede gedeeld door diens schoondochter, mevrouw K. Boon-Klingenspoor d.d. 30 oktober 2005. [12] Deze brief is voor het eerst integraal gepubliceerd in Kraaijpoel, op.cit. (noot 2), p. 22. [13] Zie voor Joseph Kronig: L.Barnouw- de Ranitz, Abraham Bredius, een biografie; in: A. Blankert, Museum Bredius. Catalogus van de schilderijen en tekeningen. Zwolle/Den Haag  1991, p. 27 noot 76. [14] Mr.G.A. Boon, ingezonden brief, ondertekend B.  in Nieuwe Rotterdamsche Courant d.d. 2 maart 1938. [15] En niet 6 september zoals Brandhof , op.cit.(noot 2)  zich op de memoires van Hannema baserend op p. 101 stelt. [16] Deze foto is ca 2000 aangeboden aan Museum Bredius. [17] De brief is integraal gepubliceerd in: F.J.Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands Cultureel erfgoed. DH 1975, p. 236 en 248 noot 267. [18] Dit telegram staat afgebeeld in Kraaijpoel, op.cit.(noot 2) p. 71. [19] “A new Vermeer”, in: Burlington Magazine Vol. 71, 1937, p. 211 [20] Zie voor dit stuk mijn artikel, noot 1, p.39. [21] Dat Schmidt-Degener overigens banden had met Duveen blijkt o.a. ook uit een brief van kunsthandel N. Katz aan Hannema  d.d. 12 mei 1937, waarin Katz zegt dat Dr. Schmidt Degener volgens Lord Duveen de Accountant van Rembrandt [ nu in Museum Boijmans Van Beuningen] getaxeerd zou hebben op USD 400.000. (GAR toeg. 181, best. 519) [22] G.Luijten, ‘De Veelheid en de Eelheid’: een Rijksmsueum Schmidt-Degener; in :Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 35, 1984, p 387. [23] A. Bredius, Een Prachtige Pieter de Hoogh; in Oud-Holland LVI (1939), p. 127, 128. [24] In het archief Kronig/Bredius zijn geen agenda’s aangetroffen en volgens mond. med. van mw. K. Boon-Klingenspoor d.d. 30 oktober 2005 is er geen archief meer van wijlen haar schoonvader, Mr. G.A. Boon. [25] Ik heb helaas  geen gastenboeken van dit hotel uit de dertiger jaren kunnen traceren. [26] Brief in archief Museum Bredius, Den Haag. [27] Brief in archief Museum Bredius, Den Haag. [28] Aangezien de archieven van de Dienst voor Kunsten en Wetenschappen van voor de Tweede Wereldoorlog  bij het bombardement op het Bezuidenhout verloren zijn gegaan, is niet bekend wanneer deze schilderijen zijn overgedragen. Ook het archief van Van Gelder in het Haags Gemeentearchief geeft hierover geen uitsluitsel. (toegangsnr. 515, nr. 365. [29] Blijkens dienstregelingen uit dat jaar, afkomstig uit het archief van het Spoorwegmuseum in Utrecht. [30] Med. per e-mail van Pierre Fassone, Conseillier Municipal, chargé des Archives, d.d. 13 december 2005. [31] Het antwoord van de notaris is niet bewaard gebleven. Zie noot 11 van mijn artikel, op.cit. ( noot 1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>